PRIMO Risk Management Award 2018

Uitgereikt te Ede op 12 oktober 2018 aan Harrie Scholtens

Harrie Scholtens, voormalig gemeentesecretaris van Goedereede en Middelharnis, National Expert bij het European Institute of Public Administration (EIPA) te Maastricht en projectleider van de European Public Sector Award 2017, ontvangt in de raadzaal van de gemeente Ede op 12 oktober 2018 de PRIMO Risk Management Award 2018.

Harrie Scholtens

Wouter Slob, bestuurslid van PRIMO Nederland en board member van PRIMO Europe licht de award toe: “Deze award is ingesteld in 2007 met als doel de resultaten, inspanningen en gevolgde werkwijzen te erkennen, die gericht zijn op bewustwording, ontwikkeling en implementatie inzake goede publieke besturing en waarbij risicomanagement heeft geleid tot aantoonbare schepping of behoud van publieke waarden.

De award richt zich specifiek op de erkenning van innovatieve en gedegen benaderingen van publiek risicomanagement in diagnose, strategie, beleid, uitvoering, procesvoering, cultuur, samenwerking of kostenbeheersing, die bijdragen aan bereiking van beoogde resultaten, in de zin van doelbereiking, waardecreatie, stedelijk en regionaal herstelvermogen, maatschappelijke samenhang of bescherming van natuur en klimaat.

Met deze award wil PRIMO mensen en organisaties danken en eren voor hun inspanningen en anderen aanmoedigen de goede besturing van publieke vraagstukken verder te versterken. Dit jaar is dat Harrie Scholtens.”

Lees verder “PRIMO Risk Management Award 2018”

PRIMO Risk Management Award 2019

Uitgereikt te Rotterdam op 18 september 2020 aan Paul Hofstra.

Het bestuur van PRIMO Nederland en de board van PRIMO Europe hebben de PRIMO Risk Management Award 2019 toegekend aan Paul Hofstra voor zijn moed en leiderschap op het grensvlak van publieke waarde, publiek risico en bestuurskracht.

Paul Hofstra

De toekenning is gebaseerd op enerzijds zijn volwassen rol als bestuurder en directeur van de Rekenkamer Rotterdam en zijn professionele bijdragen in de precieze en essentiële toepassing van de beginselen van het vak risicomanagement, onder meer verwoord in de rapporten warmte zonder leiding en publieke waarde in de knel.

Laudatio

“Het bestuur van PRIMO Nederland en de board vab PRIMO Europe heeft de PRIMO Risk Management Award 2019 toegekend aan Paul Hofstra voor zijn moed en leiderschap op het grensvlak van publieke waarde, publiek risico en bestuurskracht. De toekenning is gebaseerd op enerzijds zijn volwassen rol als directeur van de Rekenkamer Rotterdam en zijn professionele bijdragen in de precieze en essentiële toepassing van de beginselen van het vak risicomanagement, onder meer verwoord in de rapporten warmte zonder leiding en publieke waarde in de knel.

Lees verder “PRIMO Risk Management Award 2019”

FORTE™ Framework for Good Governance®

Focus: ‘Practising the art of governance design’

PRIMO startte in 2017 te Parijs met de ontwikkeling van een nieuwe aanpak om meer integraal de publieke besturing rondom een maatschappelijk vraagstuk te kunnen analyseren en te ontwerpen. De kern van deze aanpak is erop gericht om de kracht van een door het bestuur en de top van de organisatie geïnitieerde en geleide dialoog in strategische publieke vraagstukken te bevorderen.

Van vragenlijst naar brede aanpak
Wat begon met een simpele uitlijning van een vragenlijst, breidde zich geleidelijk aan uit naar een verdieping op het krachtenveld rondom deze dialoog. Geïnspireerd door de wetenschappelijke benadering van de hoogleraren Kathleen Sutcliffe (High Reliability Organisation),Ortwin Renn (Public Risk Management), Peter Young (Risk Leadership), Mark Moore (Public Value Management ) en Jeanne Liedtka (Design Thinking) lijkt de aanpak te leiden tot een bredere aanpak, die organisaties kan ondersteunen om zich ex ante te verdiepen op de sturingsprincipes en gerichte toepassing ervan bij vraagstukken in de praktijk.

Zoektocht naar indicatoren van goede sturing
Na het testen van de aanpak in de concrete praktijk van de bedrijfsvoering van alledag, ontstond het inzicht dat de aanpak leidde tot echte collectieve samenspraak en gedeelde inzichten met betrekking tot scenario’s, haalbaarheden, kritische succesfactoren en mogelijke afwijkingen (lees: risico’s) op de nagestreefde waarden.

Besloten werd besloten tot een wetenschappelijke aanpak. Deze werd  nodig geacht om het feitelijke fundament van de dialoog – die sinds de oprichting van PRIMO in 2005 is ontstaan op basis van 15 jaar  ervaringen en inzichten van met name gemeentesecretarissen en concerncontrollers in Europa – ook wetenschappelijk te kunnen ‘aantonen’ én te kunnen verbinden met gecertificeerde instrumenten. De zoektocht naar de indicatoren van goede besturing was ingezet.

Over vakmanschap, waarden en ecosystemen
Belangrijke invalshoek van deze aanpak is dat PRIMO op basis van de opgedane inzichten ervoor kiest om – naast de bekende paden van de ‘gangbare’ school van de statistische benadering binnen risicomanagement (klassiek kans x impact-denken, Monte Carlo simulaties, de kansberekening in algemene zin) –  ook de expert- en engineeringbenadering te verkennen en te werken vanuit bestaande kennis en inzicht. Geen statistiek, maar de benutting van bestaande kennis.

Wij zijn daarbij geïnspireerd geraakt door de filosofie van de oude gildes in Europa waar vakmensen voortbouwden op de inzichten van hun voorgangers alsmede op  eeuwenoude kennis van boogschutters: beoefening van de kunst om ‘raak te leren schieten’, gebaseerd op ontsluiting en benutting van intrinsieke kennis. Daarmee sluit PRIMO zich in zekere zin aan bij de positieve werking van het High Reliability Organisation concept van Sutcliffe en Weick. Risicomanagement komt daarmee in nieuw perspectief en wordt onderdeel van (lees: lost op in ) een breder denken in waardebenadering en borging van (regionale, stedelijke en natuurlijke) ecosystemen.

Onderzoek en presentatie
De PRIMO survey om het dialoogmodel wetenschappelijk te onderzoeken is deze zomer uitgevoerd in samenwerking met de Universiteit van Malta, zulks in Europees perspectief. De survey kende een hoge respons. De analyse is inmiddels uitgevoerd en uitgewerkt.

De resultaten zijn verrassend en stemming tot grote tevredenheid. Het wetenschappelijk artikel dat inmiddels is geschreven, wordt op The International Conference on Applied Business and Economics (ICABE 2019) in Thessaloniki Greece, October 21st to 23rd 2019, door PRIMO Europe voorgelegd aan andere Europese wetenschappers, bediscussieerd en gepeer-reviewed.

Ten slotte
Als dat is afgerond, pas dan kan en wil PRIMO vervolgstappen zetten in de verfijning van FORTE™. Dit zal erop gericht zijn om haar leden een wetenschappelijk onderbouwd platform te kunnen bieden, dat is gericht op waardebereiking en kennisuitwisseling dienaangaande. Het fundament daarvoor zijn de grondprincipes van governance design door middel van dialoog en gerichte gebruikmaking van de eigen kennis van de medewerkers, stakeholders én klanten van een organisatie. De komende maanden worden vervolgstappen voorzien. Als er nieuws is melden wij ons direct.

Dank
PRIMO dankt al haar leden en partners in Europa voor het vertrouwen, maar vooral voor de mogelijkheid om dit FORTE™-raamwerk te kunnen en te mogen ontwikkelen en daarmee te komen tot een nieuw governance-platform.

De FORTE-methodologie is een innovatief raamwerk dat ontworpen is om de governance in publieke, private en maatschappelijke organisaties te verbeteren. Het is gebaseerd op een holistische benadering van governance, waarbij actoren (organisaties), waarden (doelstellingen) en objecten (zoals markten of de samenleving) effectief worden verbonden. Het raamwerk is vooral toegepast in kleine Europese landen (minder dan drie miljoen inwoners) zoals Malta, Estland, Slovenië en andere, die dienen als “laboratoria” voor governance-uitdagingen en oplossingen. Dit document biedt een uitgebreide uitleg van de methodologie, de vijf kernprincipes van het FORTE-raamwerk en de onderzoeksresultaten die de effectiviteit ervan ondersteunen.

1. Waarom 

De afgelopen decennia hebben mondiale risico’s zich aanzienlijk ontwikkeld, zoals blijkt uit rapporten van het *World Economic Forum* en de *Lloyd’s City Risk Index*. Veel van deze risico’s ontstaan door slecht verbonden governance-elementen, fragmentatie van systemen en een gebrek aan coördinatie tussen regelgeving en dagelijkse praktijk. Dit probleem is vaak zichtbaar in kleine landen waar beperkte middelen en complexe politieke landschappen extra uitdagingen opleveren.

De methodologie is ontwikkeld door de *Public Risk Management Organisation (PRIMO)* als antwoord op deze problemen. Het biedt een raamwerk dat helpt actoren te verbinden met de objecten en waarden die ze dienen. Dit gebeurt via een geïntegreerde benadering die risico’s minimaliseert en governance effectiever maakt.

2. De kern

De naam FORTE staat voor de vijf kernprincipes die essentieel zijn voor goed bestuur:

F: Financial and Compliant Design. Het eerste element focust op realistische financiële planning en naleving van wettelijke en organisatorische normen. Het benadrukt:

• Het belang van voldoende budgetten om gestelde doelen te bereiken.

• Naleving van regelgeving als een strategisch hulpmiddel in plaats van een reactieve verplichting.

• Het minimaliseren van risico’s door betere financiële controle en wetgeving in de ontwerpfase te integreren.

Een veel voorkomend probleem binnen organisaties is een te optimistische planning, wat leidt tot systematische budgetoverschrijdingen. Door compliance proactief in te zetten, kunnen stagnaties en onvoorziene uitdagingen worden voorkomen.

O: Object Orientation and Delivery Dit element benadrukt het belang van het begrijpen van het object dat de waarde ontvangt, zoals een gemeenschap, klant of markt. Belangrijke aspecten zijn:

• De behoeften van het object in kaart brengen en koppelen aan de waarden die geleverd moeten worden.

• Het meten van de status en barrières van het object om risico’s en afwijkingen tijdig te identificeren.

• Een goede afstemming tussen de actor en het object, waarbij alle belanghebbenden betrokken zijn.

Een gebrek aan objectoriëntatie leidt vaak tot disconnecties tussen beleidsontwerp en praktische uitvoering, wat inefficiëntie en risico’s veroorzaakt.

R: Responsibility and Stewardship. Dit element draait om het bevorderen van verantwoordelijkheid en vertrouwen binnen organisaties. Dit gebeurt door:

• Het creëren van een cultuur van transparantie en samenwerking, waarbij fouten maken als leerproces wordt gezien.

• Sterke leiderschapsculturen te bevorderen waarin ethisch handelen en beloftes nakomen centraal staan.

• Versterking van verticale en horizontale communicatie binnen en tussen organisaties.

Door het vertrouwen en de betrokkenheid van stakeholders te vergroten, kunnen organisaties meer continuïteit en effectiviteit bereiken.

T: Tools and Processes for Creation. Het vierde element richt zich op de operationele kant van governance, met aandacht voor:

• Het waarborgen dat middelen en processen voldoende zijn om de doelstellingen te behalen.

• Het integreren van innovatieve technieken en crisismanagementplannen om snel te reageren op uitdagingen.

• Het benutten van bestaande kennis en capaciteit om doelen efficiënt te realiseren.

Het implementeren van een sterk procesontwerp minimaliseert verstoringen en waarborgt continuïteit, zelfs tijdens crises.

E: Environmental Awareness and Interaction. Het laatste element benadrukt het belang van bewustzijn van interne en externe factoren die governance beïnvloeden. Dit omvat:

• Het monitoren van trends en ontwikkelingen in de omgeving van de organisatie.

• Het opbouwen van netwerken en samenwerkingsverbanden met relevante stakeholders.

• Het anticiperen op externe krachten, zoals wetgeving, economische trends of maatschappelijke verschuivingen.

Dit element bevordert een flexibele en adaptieve aanpak, waardoor organisaties beter voorbereid zijn op veranderingen.

3. Onderzoek

3.1 Doel en aanpak

Het FORTE-raamwerk werd getest in kleine EU-landen via een combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve methoden. Een vragenlijst werd gebruikt om de vijf elementen te evalueren, aangevuld met interviews en focusgroepen. Meer dan 400 respondenten uit zowel publieke als private organisaties namen deel aan het onderzoek. De resultaten werden geanalyseerd met behulp van statistische technieken zoals factoranalyse en regressie.

3.2 Belangrijkste bevindingen

• Validiteit: De vijf elementen van het FORTE-raamwerk werden bevestigd als kernfactoren voor effectief bestuur.

• Geen demografische beperking: Het raamwerk is toepasbaar in organisaties van verschillende groottes, sectoren en geografische contexten.

• Betere prestaties: Organisaties die het FORTE-raamwerk gebruikten, scoorden hoger op efficiëntie, effectiviteit en risicobeheer.

Een belangrijke conclusie is dat het raamwerk niet alleen governance verbetert, maar ook de strategische besluitvorming en samenwerking binnen organisaties versterkt.

4. Toepassing

Het FORTE-raamwerk biedt praktische tools en strategieën voor organisaties die hun governance willen verbeteren. Enkele kerngebieden van toepassing zijn:

4.1 Diagnose en verbeterplannen

Organisaties kunnen het raamwerk gebruiken om hun huidige governance te analyseren, hiaten te identificeren en gerichte verbeterplannen op te stellen. Dit bevordert een datagestuurde aanpak voor risicobeheer en besluitvorming.

4.2 Strategisch ontwerp

Het raamwerk helpt bij het ontwerpen van strategieën die niet alleen voldoen aan regelgeving, maar ook effectief waarde leveren aan het object. Door de nadruk te leggen op connecties tussen actoren, waarden en objecten, worden disconnecties en inefficiënties verminderd.

4.3 Continu verbeteren

De methodologie moedigt een cultuur van voortdurende verbetering aan door het monitoren van prestaties en het aanpassen van governance-processen aan veranderende omstandigheden.

5. Vergelijking met andere modellen

Het FORTE-raamwerk onderscheidt zich van andere governance-modellen door:

  • Holistische benadering: Het integreert elementen zoals financieel beheer, ethisch leiderschap en omgevingsbewustzijn in één samenhangend raamwerk.
  • Flexibiliteit: Het kan worden aangepast aan verschillende organisatorische en geografische contexten.
  • Praktische toepasbaarheid: Door de nadruk op concrete tools en technieken biedt het direct bruikbare inzichten voor leiders en managers.

In vergelijking met gevestigde frameworks zoals de *Balanced Scorecard* of *COSO II*, biedt FORTE een meer holistische en contextspecifieke aanpak.

De FORTE-methodologie biedt een krachtig raamwerk voor het aanpakken van complexe governance-uitdagingen. Door de vijf kernprincipes (F, O, R, T, E) te integreren, helpt het organisaties beter in te spelen op risico’s, effectiever waarden te leveren en sterker te verbinden met hun omgeving.

Met zijn holistische en flexibele aanpak is FORTE bijzonder geschikt voor het publieke domein als geheel, geografische gebieden en organisaties. Het raamwerk biedt niet alleen een scherpe diagnose voor bestaande kwesties, maar fungeert ook als een strategie voor toekomstbestendig bestuur met oog voor scenario’s en risico’s.

De toepasbaarheid in zowel publieke als private sectoren benadrukt de veelzijdigheid en waarde van dit model. Organisaties die het FORTE-raamwerk implementeren, kunnen verwachten dat hun governance sterker, veerkrachtiger en meer afgestemd wordt op de behoeften van de samenleving en andere belanghebbenden.

Dit essay bevat een persoonlijke samenvatting van een gepubliceerd wetenschappelijk essay (Kruf et al., 2019). Doel van de onderliggende studie om kernfactoren van publieke sturing te vinden, dit op basis van een survey onder personen die direct of indirect werken met entiteiten binnen deze EU-staten en deskresearch.  De uitkomsten leiden tot een raamwerk, FORTE genaamd, op basis van vijf factoren die uit de survey kwamen:

  • ‘Financieel en conform ontwerp’
  • ‘Objectoriëntatie en -levering’
  • Verantwoordelijkheid en rentmeesterschap’ 
  • ‘Hulpmiddelen en processen voor creatie’
  • ‘Milieubewustzijn en interactie’, 

Originaliteit/waarde: De studie biedt een beter inzicht in en ondersteunt het FORTE-model dat door PRIMO-Europe werd opgesteld na ongeveer 15 jaar verzamelen van gegevens over openbare risico’s en test het voor het eerst op zowel private als publieke entiteiten, in grote en kleine bedrijven in kleine EU-rechtsgebieden. Bovendien heeft dit model bijgedragen aan de uitgebreide literatuur over modellen voor risicomanagement binnen organisaties, maar is het niet empirisch gevalideerd op betrouwbaarheid van de factoren en op kleine rechtsgebieden. Daarom ligt de betekenis en het belang van een dergelijke studie ten eerste in de vooronderstelling dat het testen van kleine landen kan worden beschouwd als kleine laboratoria voor complexere politiek, regelgeving en beleid van grotere landen.

1. Inleiding

Er is veel geschreven over bestuur en nog meer over strategieën en beleid in de publieke en private sector. Bedrijven, gouvernementele en niet-gouvernementele organisaties, worden voortdurend geconfronteerd met uitdagingen als gevolg van de veranderende trends en ontwikkelingen in de moderne samenleving. Organisaties bevinden zich daarom in een voortdurende stroom van interne en externe veranderingen, als gevolg van een dynamische wereld. Het is de uitdaging om de punten met elkaar te verbinden door middel van dialoog. Hoewel academici studies, modellen, raamwerken, methoden en technieken hebben gepubliceerd om deze uitdagingen aan te gaan, is het geen gemakkelijke taak, vooral omdat ze uitgaan van aannames en beperkt zijn in reikwijdte. Het is ook niet eenvoudig vanwege het conglomeraat van interne en externe factoren van de organisatie, de verscheidenheid aan belanghebbenden, rollen, belangen, culturen en processen.

Publieke en zakelijke onderzoeken van de afgelopen tien jaar laten zien dat als inhoud en bestuur niet goed op elkaar aansluiten, er risico’s ontstaan. Het World Economic Forum publiceerde in deze periode jaarlijks Global Risks Reports en laat enorme ontwikkelingen in risico’s zien. Bovendien is de Lloyds City Risk Index een goed voorbeeld van het systematisch monitoren van risico’s. Soms binnen acceptabele (meestal achteraf gedefinieerde) marges, maar steeds vaker over de grens van wat wij definiëren als goed bestuur (World Economic Forum, 2019) en (Lloyds City Risk Index, 2018).

De schaal van opkomende risico’s lijkt toe te nemen, maar al te vaak veroorzaakt door organisaties die falen in hun eigen prestaties of door een gebrek aan samenwerking met belanghebbenden, veroorzaakt door doelinstellingen in het bedrijfsleven, die in feite vanaf het begin buiten bereik bleken te liggen of met grote afwijkingen in tijd en budgetten kunnen worden gerealiseerd. Deze risico’s manifesteren zich ook in de versnippering of segmentering van het object van beheer zelf, zoals je klantennetwerk en markt (in het bedrijfsleven) of goed burgerschap en sociale cohesie (overheid). Vaak zijn inhoud, markt en bestuur niet goed met elkaar verbonden, waardoor een diversiteit aan risico’s ontstaat. Producten/diensten, klanten/burgers en governance in het bedrijfsleven en bij de overheid kunnen heel slecht met elkaar verbonden zijn (Young, 2012).

De behoefte aan een geïntegreerde en transdisciplinaire aanpak van publiek bestuur is essentieel om leiders en organisaties (de actor) in staat te stellen de door de kiezers beloofde en democratisch gekozen waarden met betrekking tot het publieke domein (het object), d.w.z. de samenleving als geheel, echt te realiseren. De governance voor het leveren van publieke waarden is een uitdaging en moet worden benaderd vanuit het holistische gezichtspunt van het object en zijn waarde.

Een reflectie over hoe de actor waarden kan leveren aan objecten door goed bestuur vereist een grondige reflectie, vanuit wat wij zien als een holistisch gezichtspunt vanuit het object of de waarde die geleverd moet worden, niet vanuit dat van de actor. De actor en alle elementen van het bestuur moeten worden afgeleid van of gerelateerd aan het waardeobject. In het publieke domein worden afwijkingen in waarden of in de toestand van het object gedefinieerd als publieke risico’s. De actor en alle elementen van governance moeten worden afgeleid van of gerelateerd aan het value-object (De Pooter, 2019).

Dit kan worden uitgelegd in Figuur 1 hieronder en een voorbeeld waarbij de overheid (de actor) ‘veiligheid’ (waarde) moet leveren voor haar burgers en samenleving (objecten) en dit doet door openbaar bestuur en governance. Indien succesvol ontvangt de actor ‘geloofwaardigheid’. Maar in het geval van ‘onveiligheid’ kan de afwijking van die waarde, gedefinieerd als publiek risico, de samenleving schaden in termen van ‘onbalans’ en zelfs effect hebben op de overheid als actor in termen van ‘geloofwaardigheid’.

Figure 1.  Actor —- Governance — Value —> Object

Public Risk Management Organisation (PRIMO) heeft de afgelopen 12 jaar veel afwijkingen, d.w.z. risico’s, ervaren, niet alleen in publieke waarden maar ook in de staat van het object, als gevolg van de grote fragmentatie en segmentatie in governance principes en de grote diversiteit aan stakeholders, rollen, perspectieven en belangen. Een gericht en goed gecoördineerd bestuur kan alleen worden afgeleid uit een holistisch perspectief, dat uitgaat van de behoeften van het object en niet van die van de actor. 

PRIMO is van mening dat publiek bestuur een mechanisme is om waardebehoeften in een impuls te leveren vanuit het holistische perspectief van waardeobject en heeft de belangrijkste drijfveren van publieke risico’s bestudeerd en dienovereenkomstig elementen gedefinieerd die kunnen bijdragen aan een gericht, meer gecoördineerd en effectief bestuur. De belangrijkste vijf elementen worden beschreven in één geïntegreerd FORTE-kader [‘Financieel en conform ontwerp’ (F), ‘Objectoriëntatie en levering’ (O), ‘Verantwoordelijkheid en rentmeesterschap’ (R), ‘Hulpmiddelen en processen voor creatie’ (T), ‘Milieubewustzijn en interactie’ (E)], om de actoren, hun leden, te dienen bij het ontwerpen en implementeren van hun openbaar bestuur.

Zij (PRIMO) geloven, net als Dalli Gonzi et al. (2019), dat goed bestuur (d.w.z. het vereiste bestuur dat wordt opgelegd door regelgeving en vrijwillige vereisten (zachte wetten zoals intern beleid, normen ect.) alleen tot stand kan komen als de onderdelen van het systeem, d.w.z. de actor, de waarde en het object, op elkaar zijn afgestemd. Daarom willen we met dit artikel het PRIMO 5-elementen raamwerk van goed bestuur – FORTE, dat leidt tot prestaties, succes, efficiëntie en effectiviteit van organisaties bij het dienen van hun doelen in kleine rechtsgebieden van de Europese Unie (EU) (met minder dan 3 miljoen inwoners, met name Malta, Slovenië, Luxemburg, Litouwen, Letland, Estland en Cyprus) naar voren brengen, beschrijven, testen en bespreken door adequate levering van waarden.

Deze studie voegt waarde toe aan de bevindingen van verschillende prominente onderzoekers zoals King (1993), Briguglio (1995), Baldacchino (2006), Bezzina et al., (2012), Bezzina et al., (2014) die het belang benadrukken van het gebruik van kleine staten als kleinschalige laboratoria voor complexere politiek, regelgeving en beleid van grotere landen.

2. Het FORTE-kader

Op basis van de analyse van interne enquêtes en interviews die op regelmatige basis worden uitgevoerd met leden van PRIMO, zijn zij (PRIMO) ervan overtuigd dat we worden geconfronteerd met een palet van opkomende risico’s op grote schaal en het verbinden van de actor, de waarde en het object door middel van governance, lijkt een grotere uitdaging dan ooit. In het algemeen is PRIMO van mening dat er een gebrek aan verbinding is tussen de verschillende elementen van governance, wat leidt tot verstoring en discontinuïteit. Ze benadrukken dat de navigatie in het publieke domein niet op alle fronten functioneert.

Deze elementen van governance zijn gebaseerd op de belangrijkste drijfveren van risico’s, zoals PRIMO leden die de afgelopen 15 jaar hebben ervaren. Het bestuur van PRIMO heeft in 2017, na analyse van de verzamelde gegevens met behulp van de hieronder beschreven FORTE-raamwerkbenadering en -analyse, besloten om zich vanuit de missie, statuten en primaire portefeuille te richten op deze vijf bestuurlijke elementen, omdat deze door haar leden als het meest kritisch worden ervaren voor prestaties en succes. Ze kunnen worden beschouwd als invloedrijk bij het ontwerpen van goed bestuur en kunnen daarom zeer nuttig zijn voor de leden van PRIMO. Zij hebben de belangrijkste oorzaken van publieke risico’s gekoppeld aan de elementen van governance als volgt…

Trademark

We hereby inform you that PRIMO Europe is formally approved – on the 28th of July 2020 – in its registration of FORTE Framework for Good Governance® as a trademark in the Benelux as well as that we have registered FORTE® as our idea/concept/set of thoughts as is education/consultancy product/service via i-Depot until 2024 for a broader use worldwide.

Idea

The need for an integrated and transdisciplinary public governance approach is essential to enable leaders and organisations to truly deliver the electorally promised and democratically chosen values related to the public domain, i.e. society and nature as a whole.

The governance of delivering public values is challenging and even under pressure. Governance needs a thorough reflection, given the fact that public risks are emerging on a large scale. In the last 15 years, PRIMO has recorded many public risks in its network throughout Europe.

PRIMO surveyed and studied under leaders the crucial elements of governance to contribute to a more focused, coordinated and effective governance. They are addressed in an integrated framework FORTE®. The framework offers the possibility to uniquely co-create and tap the knowledge of your team, employees and clients.

With FORTE® you can

Public and business surveys of the last 15 years show us that if content and governance are not well connected, risks will emerge. The World Economic Forum published in this period yearly Global Risks Reports, showing the evolution in risks. Also the Lloyds City Risk Index is a good example of systematic monitoring of risk. Sometimes within acceptable (mostly, ex-post defined) margins, but more and more crossing the line of what we define as good governance. The scale of emerging risks seems to increase, underline the need for cooperation between all stakeholders and more precise thinking and acting. With FORTE® you can. It is available for members.

The research (written, peer-reviewed , published)

Jack P. Kruf, Simon Grima, Murat Kizilkaya, Jonathan Spiteri, Wouter Slob, John O’Dea | December 2019

Purpose

In this article we lay out and discuss a framework proposed by the Public Risk Management Organisation (PRIMO) of which the authors are board members and the results of a test on public and private entities of EU small jurisdictions, specifically Malta, Slovenia, Luxembourg, Lithuania, Latvia, Estonia and Cyprus. These are countries within the EU having less than 3 million people population.

Design/methodology/approach

We collected our primary data by using a semi-structured questionnaire and administering it to participants who are working directly or indirectly with entities within these EU states. The questionnaire was structured using the FORTE™ acronym as themes, ‘Financial and compliant design’, ‘Object orientation and delivery’, ‘Responsibility and stewardship’, ‘Tools and processes for creation’ and ‘Environmental awareness and interaction’, with 5 statements under each theme to which participants were required to answer using a 5-point Likert-scale ranging from “Strongly Disagree” to “Strongly Agree”. We, however, allowed the participants to open up and discuss each statement and recorded these comments.

Some demographic data was also collected as to the type of entity the participants are working with, the level of expertise on governance of the participant and the size of the entity. The quantitative data was subjected to statistical analysis while the results from the open ended question was analysed using the Thematic approach.

Findings

Factor analysis provided support for the FORTE Good Governance model for both the Private and Public entities, no-matter if they are small or large. Originality/value: The study provides a better understanding and supports the FORTE Model established by PRIMO-Europe, after approximately 15 years of collecting data on public risks and for the first time tests it on both Private and Public entities, in large and small firms in small EU Jurisdictions. Moreover, this model contributed to the vast literature on models of risk management within organisations, but was not validated empirically for reliability of the factors, and on small jurisdictions.

Therefore, the significance and importance of such a study lies firstly on the premise that testing on small countries, can be deemed as small laboratories for more complex politics, regulations and policies of larger countries.

Bibliography

Kruf, J., Grima, S., Kizilkaya, M., Spiteri, J., Slob, W., & O’Dea, J. (2019). FORTE™ Framework for Good Governance. European Research Studies Journal, Volume XXII, Issue 4, 15-34, 2019. DOI: 10.35808/ersj/1494

Read the published article

Denktank ‘From Global to Local’ 2015

Op weg naar een vertaling

Eric Frank en Jack Kruf | april 2015

Een denktank van bestuurders, managers en controllers richtte zich ten kantore van BNG Bank te Den Haag op het Global Risks Report 2015 van het World Economic Forum. Het gesprek spitste zich toe op significante risico’s binnen de context van de maatschappelijk vraagstukken in Nederland en specifiek op de vertaling ervan naar de lokale en regionale praktijk van het openbaar bestuur.

PRIMO met UDITE hebben daarbij voor een multi-disciplinaire samenstelling van de groep gekozen, zodat alle invalshoeken van het publieke domein aan bod komen en worden belicht in de 2e Denktank Nederland ‘From Global to Local’.

v.l.n.r. Carl Samuels, Koen Haer, Eric Frank,, Wouter Slob, Jaap Gelok, Eugène Meuleman, Lonneke de Waal, Theo Dijkstra, Harrie Scholtens, Richard Meulenbroek, Jack Kruf, John Kuijten en Martin van der Bijl .

Introductie

Een goed gemêleerd gezelschap met een rijk palet aan functionarissen vanuit de diverse overheidsgeledingen, nam intensief en zeer betrokken deel aan de discussie inzake de meest in het oog springende ontwikkelingen, bedreigingen en risico’s, op lokaal en regionaal niveau. Onder leiding van gespreksleider Jack Kruf werd begonnen met de introductie van een ieder.

Na deze introductie nam gespreksleider Kruf het gezelschap mee door een aantal cruciale onderwerpen van het Global Risks Report 2015. Er werd getoond wat de top vijf van risico’s nu is en het verloop ervan in de laatste 10 jaar.

Voor het jaar 2015 staan de volgende top 5 risico’s vermeld naar impact: 1. watercrisis, 2. snelle en grootschalige verspreiding van infectieziekten, 3. massa-vernietigingswapens 4. conflicten tussen landen met consequenties voor een groter gebied en 5. falen in klimaat-adaptatie.

De 5 risico’s naar waarschijnlijkheid zijn 1. conflicten tussen landen met consequenties voor een groter gebied, 2. extreem weer-gebeurtenissen, 3. falen van landelijke governance, 4. uiteenvallen vallen van of crisis in landen en 5. hoge structurele werkloosheid of te lage werkgelegenheid.

Waarneming

In zijn algemeenheid is het gezelschap geschokt door de aangegeven wereldwijde risico’s. Zij zijn herkenbaar, omdat een deel direct betrekking heeft op Nederland. Het rapport geeft perspectief en noodzaak om naar de eigen lokale en regionale situatie te kijken. Het rapport risico’s voor de mensheid en voor de aarde. Het zijn bijna allemaal publieke risico’s. Klimaatverandering, waterbeschikbaarheid en overstromingen, onveiligheid, cybercrime, inkomensongelijkheid, werkloosheid et cetera.

Het is tijd voor echte reflectie, is het unanieme standpunt, weg van de dag-dagelijkse praktijk van onze regels, processen, systemen en vooral van de sterk media-gestuurde democratie, die de politiek steeds meer in haar greep lijkt te hebben.

De gespreksleider stelt dat lokaal gezien men weinig weet heeft van het Global Risks Report. Men is sowieso nog weinig bezig met management van risico’s, vaak als gevolg van de drukte van het werk en het negatieve aureool erboven. 

Gebrek aan tijd gaat ten koste van het nemen van reflectie en dialoog die vaker nodig lijkt. Een groot obstakel, zo wordt algemeen gesteld, is het veel voorkomend wantrouwen. 

Men vertrouwt de politiek niet, en daardoor de bestuurlijke aansturing voor het ambtelijk apparaat. Wantrouwen in de leiding, wantrouwen ten opzichte van elkaar, is een veel beluisterd probleem. De bijeenkomst was unaniem aanleiding om gezamenlijk verder te spreken en de vertaling van het rapport naar lokaal niveau verder ter hand te nemen.

Partners

De Denktank wordt uitgevoerd in partnerschap met UDITE, de Europese Vereniging van Gemeentesecretarissen, en BNG Bank.

Leden van de Denktank 2015

  • Martin van der Bijl, adviseur Publiek Maatwerk Project, Region West-Brabant.
  • Theo Dijkstra, concerncontroller gemeente Groningen.
  • Eric Frank, directeur PRIMO Nederland.
  • Jaap Gelok, burgemeester gemeente Borsele en portefeuillehouder nucleaire veiligheid veiligheidsregio Zeeland.
  • Koen Haer, programmamanager Vereniging voor Overheidsmanagement.
  • Jack Kruf, president PRIMO Europe, dagvoorzitter.
  • John Kuijten, programmanager contracten BNG Bank.
  • Richard Meulenbroek, gemeentesecretaris gemeente Breda.
  • Eugène Meuleman, programmamanager Unie van Waterschappen.
  • Carl Samuels, projectleider gemeente Bergen op Zoom en Omgevingsdienst Midden- en West-Brabant.
  • Harrie Scholtens, programmamanager European Institute of Public Administration
  • Wouter Slob, gemeentesecretaris gemeente Medemblik.
  • Lonneke de Waal, accountmanager 100.000+ gemeenten BNG Bank.

PPS is een mindset: niet een wijze van bouwen

Harry Sterk | april 2010 (vertaald door Jack Kruf)

De belangrijkste verschillen tussen traditionele en PPS-projecten zijn volgens Harry sterk de manier waarop kosten worden gedefinieerd en hoe bouwplannen worden gemaakt. Bij een PPS-project worden de totale kosten van een project in het licht van de levenscyclus van een project geplaatst.

Harry Sterk

Traditioneel ligt de focus ‘slechts’ op de initiële bouwkosten en blijven bijvoorbeeld onderhoud en andere ‘post initiële’ kosten buiten beschouwing. De initiatiefnemer maakt geen gedetailleerd plan, maar formuleert wat er binnen een bepaald kader moet gebeuren: de outputspecificaties. 

De uitbestedende partij wordt dus gestimuleerd om binnen dat kader creatief en slim te zijn en een totaaloplossing te ontwikkelen. Als het project is gerealiseerd, ontvangt de opdrachtnemer een vergoeding op basis van de daadwerkelijke vervulling van deze outputspecificaties. Deze prikkel stimuleert de aannemer om scherp te blijven gedurende de gehele looptijd van het project. Het verklaart ook waarom de overgrote meerderheid van PPS-projecten op tijd en binnen budget wordt opgeleverd.

Lees verder “PPS is een mindset: niet een wijze van bouwen”

Publiek-Private Partnerschappen

Als nieuwe impuls voor de samenleving

Philippe Auzimour, Sabrina Baker and Jack Kruf | april 2010

Risico’s in evenwicht brengen in een financiële crisis

Biedt de financiële crisis een kans voor het in evenwicht brengen van risico’s in infrastructuurprojecten en publiek-private partnerschappen? Het partnerrisico wordt door overheidsinstanties gezien als een van de belangrijkste risico’s in de risico-enquête die Marsh en PRIMO Europe in het derde kwartaal van 2009 hebben uitgevoerd. Uit de enquête blijkt dat 59% van de deelnemers het partnerschaprisico als significant beschouwt – een vergelijkbaar percentage als voor risico’s met betrekking tot openbare aansprakelijkheid en bedrijfscontinuïteit. 

Auzimour: “In heel Europa zijn de mislukte projecten toegenomen door de recessie. als gevolg daarvan is het aantal transacties en de totale waarde gedaald. De bedrijven die op projecten bieden, hebben het nu moeilijk om het kapitaal en de financiering te vinden om ze uit te voeren, en overheidsinstanties hebben hun eigen problemen in dit opzicht, omdat de instellingen die hun schuld financieren in de problemen komen. Deze problemen hebben allemaal een impact op de tijd die een project nodig heeft om zijn financial close te bereiken en verhogen het risico op partnerschap, ongeacht de contractuele regeling.”

Lees verder “Publiek-Private Partnerschappen”

Morele emoties en risicopolitiek

Rede uitgesproken door Prof. Dr. Sabine Roeser bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap

Sabine Roeser | december 2011

“Risicovolle technologieën geven vaak aanleiding tot verhitte en emotionele publieke debatten; denk bijvoorbeeld aan klonen, genetische gemodificeerd voedsel, vaccinatieprogramma’s, CO2-opslag en kernenergie. Terwijl grote delen van het publiek vaak bang zijn voor ongewenste gevolgen van dergelijke technologieën, benadrukken deskundigen doorgaans dat de risico’s te verwaarlozen zijn. Zij beschuldigen het publiek er vaak van emotioneel en rationeel te zijn en niet open te staan voor objectieve informatie.

Beleidsmakers reageren op deze kloof tussen deskundigen en publiek meestal op één van twee manieren: ze negeren de emotionele reacties van het publiek ten gunste van de deskundigen, of ze accepteren de emoties van het publiek als een onvermijdelijk gegeven en als een redden van een controversiële technologische ontwikkeling te verbieden. Beide reacties zijn gegrond in de veronderstelling dat de emoties van het publiek irrationeel zijn en een debat onmogelijk maken.” Lees meer

Samenvatting (PRIMO Res Publica)

In haar oratie, uitgesproken op 1 december 2011 aan de Universiteit Twente, stelt prof. dr. Sabine Roeser dat emoties niet irrationeel zijn, maar een fundamentele rol spelen in morele oordeelsvorming, met name in de context van risicovolle technologieën. Tegen de achtergrond van verhitte debatten over zaken als genetisch gemodificeerd voedsel, kernenergie en klimaatverandering, betoogt Roeser dat publieke emoties over risico’s serieuze aandacht verdienen en niet simpelweg moeten worden afgedaan als irrationele obstakels voor beleidsvorming.

In de technocratische benadering van risico’s ligt de nadruk op objectieve kansberekening en kosten-batenanalyses. Deze methoden zijn gebaseerd op het utilisme, dat stelt dat handelingen gerechtvaardigd zijn als ze de beste uitkomst voor het grootste aantal mensen opleveren. Roeser wijst echter op de beperkingen hiervan: deze benadering houdt geen rekening met rechtvaardigheid, autonomie of motieven. Leken blijken in hun risicopercepties juist vaak wel oog te hebben voor deze aspecten, zoals of een risico vrijwillig genomen is, of het eerlijk verdeeld is, en of het chronisch of catastrofaal van aard is.

Roeser stelt dat emoties zoals empathie, compassie en verontwaardiging ons helpen om deze morele aspecten van risico’s te onderkennen. Ze voert daarbij aan dat moderne emotietheorieën, evenals neurologisch onderzoek van onder anderen Antonio Damasio, aantonen dat emoties een integraal onderdeel zijn van rationele besluitvorming. Mensen die door hersenschade geen emoties meer ervaren, blijken niet langer in staat tot praktische oordeelsvorming of verantwoord risicogedrag.

Tegenover de gebruikelijke scheiding tussen rede (analytisch, betrouwbaar) en emotie (intuïtief, onbetrouwbaar) plaatst Roeser een alternatieve visie waarin emoties cognitieve elementen bevatten en kunnen bijdragen aan morele reflectie. Emoties vormen volgens haar dus geen obstakel, maar juist een noodzakelijke bron voor het begrijpen van risico’s op een moreel verantwoorde manier.

Dit inzicht heeft belangrijke implicaties voor experts, beleidsmakers en burgers. Experts zouden zich bewust moeten zijn van hun eigen emotionele betrokkenheid, bijvoorbeeld enthousiasme over technologie of angst voor reputatieschade. Beleidsmakers moeten balanceren tussen emoties en argumenten van verschillende betrokkenen en mogen hun beslissingen niet puur baseren op cijfers of de grillen van de publieke opinie.

Roeser bespreekt onder meer het debat over kernenergie na de ramp in Fukushima, waarbij tegenstanders van kernenergie vaak als irrationeel en emotioneel werden weggezet. Zij bepleit dat dit type reacties niet alleen onterecht, maar ook contraproductief zijn. Emoties kunnen immers wijzen op gerechtvaardigde zorgen die ethisch en politiek serieus genomen moeten worden. Ook bij klimaatverandering speelt het gebrek aan emotionele urgentie een rol in het beperkte handelingsperspectief van het publiek. Emoties kunnen hier zowel het bewustzijn als de motivatie vergroten.

Roeser introduceert een alternatief model dat ze “emotionele deliberatie” noemt. In plaats van te vervallen in de technocratische valkuil (emoties uitsluiten) of de populistische valkuil (emoties klakkeloos volgen), pleit zij voor een benadering waarin emoties onderdeel zijn van een geïnformeerde, open en inclusieve dialoog. Door morele emoties bespreekbaar te maken, kunnen gerechtvaardigde bezwaren onderscheiden worden van irrationele angsten. Informatie moet zó worden gepresenteerd dat ze emotioneel begrijpelijk is voor leken.

Tot slot benadrukt Roeser dat technologie altijd morele implicaties heeft, en dat het serieus nemen van emoties in de risicoanalyse leidt tot humanere en rechtvaardigere besluitvorming. Haar werk draagt bij aan een breder humanistisch ideaal waarin het hele spectrum van mens-zijn – rede én emotie – tot zijn recht komt. Emoties zijn essentieel voor morele kennis en dus voor het ontwikkelen van verantwoord beleid rond risicovolle technologieën.

De belangrijkste conclusies

Emoties zijn niet irrationeel, maar essentieel voor moreel inzicht:

  • Emoties vormen een bron van praktische rationaliteit en zijn nodig om morele aspecten van risico’s te begrijpen.
  • Ze maken ons bewust van waarden als rechtvaardigheid, eerlijkheid en autonomie, die in technocratische benaderingen vaak ontbreken.

Publieke emoties over technologie zijn waardevol:

  • Leken hebben vaak een breder en moreel relevanter begrip van risico’s dan experts, mede dankzij hun emoties.
  • Risico-emoties wijzen op zorgen die verder gaan dan statistische kansberekening, zoals angst voor onrechtvaardige verdeling van risico’s.

De technocratische en populistische valkuilen moeten worden vermeden:

  • Technocratie: emoties worden genegeerd ten gunste van kwantitatieve analyse → leidt tot vervreemding en verzet.
  • Populisme: publieke emoties worden klakkeloos gevolgd → belemmert rationele besluitvorming.
  • Beide benaderingen zijn gebaseerd op een onterechte scheiding tussen rede en emotie.

Alternatief model: emotionele deliberatie:

  • Emoties moeten een expliciete rol spelen in de publieke dialoog over risicovolle technologieën.
  • Door morele emoties te erkennen en kritisch te bespreken ontstaat betere besluitvorming en meer draagvlak.

Experts en beleidsmakers zijn ook emotioneel betrokken:

  • Experts zijn niet puur rationeel; hun emoties kunnen zowel waarschuwend als bevooroordeeld zijn.
  • Beleidsmakers moeten emoties en belangen van alle partijen serieus nemen en balanceren.

Emoties kunnen worden getraind en gecorrigeerd:

  • Emoties zijn niet onfeilbaar, maar kunnen via reflectie, empathie en kunst worden bijgestuurd.
  • Correctie van feitelijk onjuiste risico-emoties vereist begrijpelijke, emotioneel toegankelijke informatie.

Specifieke emoties als angst en walging zijn dubbelzinnig:

  • Kunnen zowel wijzen op morele bezorgdheden als voortkomen uit fobieën of stereotypes.
  • Moeten kritisch worden geëvalueerd binnen de context van risicoanalyse.

Emoties zijn cruciaal in complexe maatschappelijke kwesties:

  • Debatten over kernenergie en klimaatverandering laten zien dat emotionele betrokkenheid nodig is voor bewustzijn, motivatie en morele reflectie.

Deze conclusies ondersteunen Roesers centrale stelling: morele emoties moeten serieus worden genomen in de risicopolitiek. Ze vormen geen obstakel voor, maar een voorwaarde voor moreel verantwoorde technologie en beleid.

Bibliografie

Roeser, S. (2011). Morele emoties en risicopolitiek [oratie]. Universiteit Twente.

Download oratie.